Het curriculum staat volop in de belangstelling door de nieuwe kerndoelen, aangepaste examenprogramma's en maatschappelijke discussies over wat leerlingen moeten kennen, kunnen en ervaren. Toch gaat curriculumontwikkeling volgens SLO-bestuurders Jindra Divis en Bernard Teunis over meer dan onderwijsdoelen alleen. Het begint bij de vraag welke kwaliteit van onderwijs je als school je leerlingen wilt bieden.

‘Zie de invoering van het nieuwe curriculum niet als een moetje, maar als een kans om de kwaliteit van je onderwijs verder te verbeteren’, zegt Divis. ‘Denk na over je visie, over de belofte die je kinderen en ouders doet als zij je school binnenlopen. Hoe geef je vanuit die visie vorm aan onderwijs dat betekenisvol is voor jouw leerlingen? Dat is uiteindelijk waar het om draait.’
De nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s geven scholen meer houvast en samenhang. Tegelijkertijd bieden ze ruimte om eigen keuzes te maken. Volgens Divis en Teunis is die combinatie van belang. Landelijke doelen geven richting aan wat leerlingen in Nederland moeten kennen, kunnen en ervaren. De vertaling naar de praktijk vindt plaats op schoolniveau. Daar maken schoolleiders en leraren afwegingen die passen bij hun leerlingen, hun omgeving en hun onderwijsvisie.
‘Dat betekent meer dan het toevoegen van nieuwe inhoud’, verduidelijkt Teunis. ‘Het vraagt om het bestaande curriculum kritisch tegen het licht te houden: behouden wat van waarde is, loslaten wat niet meer bijdraagt en dát toevoegen wat nodig is om leerlingen goed toe te rusten voor de toekomst. Tegelijkertijd vraagt dat om een voortdurend gesprek over de pedagogische en didactische keuzes die het onderwijs betekenisvol, doelgericht en kansrijk maken.’
Met de oplevering van nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s begint een nieuwe fase. De vraag verschuift van het ontwikkelen van het curriculum naar het betekenis geven eraan in de dagelijkse onderwijspraktijk. Dat vraagt om samenwerking tussen bestuur, schoolleiding en leraren. Ieder draagt vanuit een eigen rol bij aan hetzelfde doel: betekenisvol onderwijs voor iedere leerling.
'Het bestuur zorgt voor de randvoorwaarden waarbinnen goed onderwijs kan worden gegeven', zegt Teunis. Het bestuur stelt de strategische koers vast, zorgt voor tijd, middelen en ondersteuning en borgt de kwaliteit via beleid en kwaliteitszorg. Zij creëren zo de ruimte waarin scholen het nieuwe curriculum kunnen vertalen naar hun eigen onderwijs.
Schoolleiders spelen daarin een sleutelrol. Zij bewaken de samenhang tussen visie, curriculum, professionele ontwikkeling en schoolontwikkeling, sturen op kwaliteit en creëren een professionele cultuur waarin leren centraal staat.
In de klas brengen de leraren het curriculum vervolgens tot leven. Zij ontwerpen en geven betekenisvol onderwijs, stemmen hun lessen af op de behoeften van hun leerlingen en dragen vanuit hun expertise bij aan de verdere ontwikkeling van het onderwijs. Juist in de samenwerking tussen al deze rollen ontstaat een curriculum dat niet alleen op papier klopt, maar ook werkt in de klas.
Curriculumontwikkeling gebeurt bovendien niet alleen in scholen. Ook wetenschap, overheid, leermiddelenontwikkelaars, toetsenmakers en andere partijen spelen een rol. Volgens Divis en Teunis vraagt dat om voortdurende afstemming en een gedeeld begrip van wat de bedoeling achter het curriculum is.
‘Het curriculum bevindt zich in een complex krachtenveld’, zegt Divis. ‘Vanuit politiek, samenleving, wetenschap en onderwijspraktijk komen verschillende verwachtingen samen. Onze opdracht is steeds opnieuw de balans te vinden en te zorgen dat het curriculum zowel relevant als uitvoerbaar blijft.’
Daarmee verandert ook de rol van SLO. Tijdens de curriculumactualisatie lag de nadruk sterk op ontwikkeling en regie. In de komende jaren verschuift het accent naar kennisdeling, ondersteuning en het verbinden van partijen die een belangrijke rol spelen in de implementatie van het curriculum.Als landelijk expertisecentrum werkt SLO aan een curriculum dat actueel blijft, gebaseerd is op kennis en tegelijkertijd verbonden is met de onderwijspraktijk. Dat betekent niet alleen kijken naar de vraagstukken van vandaag, maar ook vooruitdenken over ontwikkelingen die het onderwijs van morgen beïnvloeden.
Curriculumontwikkeling wordt een doorlopend proces. Daarom is het volgens Divis en Teunis de komende jaren cruciaal om de samenwerking tussen scholen, onderzoekers, beleidsmakers en curriculumexperts structureel te versterken. Alleen door elkaar op te zoeken en van elkaar te leren, kan het curriculum zich blijven ontwikkelen.
‘Uiteindelijk is een curriculum nooit af’, zegt Teunis. ‘De kernvraag blijft steeds dezelfde: wat hebben leerlingen nodig, en welk onderwijs willen we onze leerlingen bieden? Het curriculum helpt ons om daar samen richting aan te geven.’